maandag 15 mei 2017

Twee kuikens

Ik ben net weer thuis. Het is kwart voor twee in de morgen. Vermoeidheid brandt achter mijn slapen, is dat waarom ze slapen heten, en maakt daar donkere vlekken. Sandrien is net naar bed gegaan. Het was fijn om thuis te komen, maar nu moet ik schrijven, want, hoewel het weekend zo terugkijkend is samengesmolten tot een moment, alsof alles, de heenreis, twee nachten in een vreemd huis met mijn vogels, de terugreis, alsof alles tegelijk heeft plaatsgevonden, alsof ik mijn voeten probeerde uit te strekken onder de banken van de bus, terwijl de vogels over mijn armen trippelden, terwijl voor mijn ogen een ei brak en een kuiken geboren werd, terwijl het Feyenoordlegioen in mijn oren toeterde, hoewel alles, het hele weekend, nu tot een enkel moment is samengebald, als wanneer je na een middag kleien alle mislukte pogingen weer samendrukt tot een bal, toch is het een moment van betekenis, al is het me onduidelijk wat die betekenis precies is, en voel ik de behoefte om het weer uit elkaar te trekken en in nieuwe vormen te kneden.
“Welcome in my humble buss. I just had two cups of coffee, so I'll be annoying the hell out of you during this whole trip.” De buschauffeur is een klein, joviaal mannetje met een eveneens klein en joviaal brilletje op zijn neus, dat gedurende de hele ritten grappen maakt, grappen die leraren op de middelbare school maken en die niet werkelijk grappig zijn, die boven alles de sleur van hun bestaan blootleggen, elk jaar hetzelfde curriculum met dezelfde grappen, of nog erger, elke dag, elke busreis, maar grappen die je toch waardeert wanneer ze met oprecht plezier en geoptimaliseerde timing, met beroepstrots, worden gebracht.
Het stortregent en ik ren langs de golvende baksteenmuren van De Dageraad, een prachtig gebouw in de stijl van de Amsterdamse school, bakstenen die ondanks hun toch imponerende massiviteit lijken te ademen, en schuil onder een van de ronde erkers. Als ik bereid ben om verder te gaan door de regen, besef ik dat al voor de deur sta van het huis waar ik nu even woon. Ik hoor de vogels fluiten. Het in heldere kleuren geschilderde trappenhuis, maakt me opnieuw vrolijk, terwijl ik probeer me niet te vergissen in de deur.
In de bus lees ik een boek in een keer uit. Het boek is Het vogelhuis door Eva Meijer. Het gaat over Len Howard, een vrouw die na een succesvolle carrière als muzikant, dit leven achter zich laat en bij vogels gaat wonen om hun gedrag te onderzoeken. Ze bouwt een relatie op met de vogels, vooral met de koolmezen. Terwijl ik het lees, terwijl ik mijn voeten zo ver mogelijk probeer uit te strekken onder de stoel voor me, vraag ik me af of mijn vogels me nog zullen herkennen.
“Please check the seat number on your ticket to check if you're on the right seat.” De buschauffeur wacht geduldig tot vragende geluiden en een zwetende paniek de bus vullen. “I told you I'd be annoying the hell out of you. There are no seat numbers.”
In het vogelhuis weet Len Howard het vertrouwen van wilde koolmezen te winnen, zo ver dat ze uiteindelijk een vogeltje leert tellen, of laat zien dat ze kan tellen, door haar te belonen wanneer ze een bepaald aantal keer met haar snavel tegen de tafel tikt.
Ik besluit het experiment te herhalen met Eend. De intelligentie van agapornissen is soms haast voelbaar in de lucht, zoals je het kunt voelen wanneer een onweersbui op komst is. Ik hoef dan ook maar twee keer op de tafel te tikken nadat ik een zonnebloempit heb laten zien, voordat Eend met zijn snavel tegen de tafel tikt. Als ik twee keer achter elkaar tik, tikt hij twee keer achter elkaar. Drie keer lukt ook, al tikt hij zacht en aarzelend. Dan heeft hij er genoeg van en elke volgende keer dat ik het pitje laat zien, duikt hij er met volle snelheid op, voor ik heb kunnen tikken. Hij verveelde zich alweer met het spelletje. Ik ken geen dieren die zich zo snel vervelen als agapornissen en misschien is dat wel het meest overtuigende bewijs voor hun intelligentie: verveling.
We wachten op Ali B, niet de Ali B, een andere Ali B. Een man met wie ik meerijd terug naar Parijs. Met mij staan twee Fransen op hem te wachten. We staren alle drie naar een kroeg aan de andere kant van het plein, waar Feyenoordsupporters staan te dansen en te zingen. Ze zingen uit volle borst: “Alle joden aan het gas.” Twee meisjes brengen hun vriendjes naar de kroeg. De twee stelletjes beginnen naast elkaar uitgebreid te tongen en dan nemen de jongens afscheid van de meisjes. Ze pakken een biertje en gaan op in de rood-wit-zwarte golvende massa. “Mijn vader zat bij de commando’s, mijn moeder zat bij de SS. Samen verbrandden zij joden, want joden die branden het best.” Dit scanderen gaat een half uur door. Steeds luider wordt dit refrein gezongen en mensen die uit het station het plein oplopen, beginnen spontaan mee te zingen. De Fransen lijken het gelukkig niet te begrijpen en kijken geamuseerd toe. Ik ben blij dat ik het niet hoef uit te leggen, me niet hoef te verantwoorden voor het feit dat dit mijn cultuur is, wat dat ook maar betekent. Ik geloof best dat de voetbalsupporters er niets kwaads mee bedoelen. Het is een gezellig feestje en feesten kun je het best zonder historisch besef. Toch voel ik me verlost als Ali aan komt rijden. Ik herken hem meteen als de chauffeur tijdens een eerdere rit. Hij had toen vooral oog voor Sandrien en hij herkent me dan ook niet. Ik laat het maar zo, omdat ik hem niet in verlegenheid wil brengen, of omdat ik er niet op rekende een bekende te zien en zelf moeite heb met de nieuwe situatie. Tegelijk komt de gedachte bij me op dat Ali mij ook heeft herkend, maar dit om de een of andere reden niet wil laten merken. Deze gedachte verwerp ik meteen, want Ali is, in tegenstelling tot mijzelf spontaan en uiterst sociaal.
Ik kniel voor de kooi van de twee oudste vogeltjes, Duif en Eend, en zie een merkwaardig schouwspel. Agapornissen voeden elkaar normaal gesproken door in de snavel van hun partner hun eten op te geven, een schouwspel dat op zich al iets merkwaardigs heeft. Nu kotst Eend op de poot van Duif, in plaats van in zijn snavel. Ik lach om Eend, die altijd iets clownesk heeft in zijn goedige gedrag, maar dan zie ik plotseling in het nestkastje aan de wand van de kooi een rozig wurmpje, amper groter en opmerkelijker gelijkvormig aan het pootje van Duif. Er zit een beetje dons op het ronde lijfje. Het is een kuikentje. Zijn paarse ogen zitten nog dicht en hij kruipt hulpeloos heen en weer over de schaal van het ei waar hij uit is gekomen. Dan vliegt Duif in het nestkastje en ze schuift het kuiken met veel tederheid onder haar veren.
"So, we've arrived in Antwerpen. If you want to stretch your legs, please check out the station hall. It's beautiful, seriously." Er klinkt oprechte ontroering in de stem van de buschauffeur.
Als wetenschapper is Len Howard haar tijd ver vooruit, met de achteraf vrij logische gedachte dat je dieren, wanneer je hun gedrag wilt bestuderen, ze het beste kunt bestuderen in hun natuurlijke omgeving en dat je dat gedrag, om het te kunnen beschrijven, moet interpreteren, in plaats van dieren als “black boxes” te beschouwen. Ze beschrijft ook hoe er binnen een vogelsoort enorme verschillen zitten in karakter, of persoonlijkheid. De ene koolmees is brutaal, de ander is angstig, de volgende is nieuwsgierig.
Ik zit naast Ali B in de grijze Toyota Avensis, kunststofpanelen met houtmotief in het dashboard, hij kijkt slechts af en toe naar de weg, terwijl hij cd-hoesjes uit alle holtes aan weerszijden van zijn stoel tevoorschijn haalt en opent, om te kijken welke cd in het hoesje zit, tot hij uiteindelijk Coolio, Gangsta's Paradise opzet. Ik staar naar bomen, die aan beide kanten van de weg door de duisternis zijn samen gaan vloeien tot gigantische volumes, als zwarte onweerswolken die op de aarde zijn neergedaald en waarvan een haast apocalyptische dreiging uitgaat. Misschien dat deze dreiging me blijft fascineren, waardoor ik niet in slaap dommel, ook al heb ik de vorige nacht nauwelijks geslapen, terwijl mijn ogen schommelen over de eindeloze golf waar de zwarte massa de paarsgrijze lucht raakt. Ik hou van deze kleur, dat vale mengsel van rood licht van de grote steden en het blauw van de nacht, een kleur die haast onmogelijk te schilderen is, juist omdat het zo weinig kleur bevat dat het zo bijzonder precies komt.
“So, we'll have to change busses, because someone smashed one of the windows, because he was angry about the fact that my, I mean his wife is cheating on him with that loser... I'm just speculating.”
In een huis aan de Pieter Lodewijk Takstraat in Amsterdam wonen mijn vier vogeltjes, agapornissen. Ze wonen bij een veel te aardige mevrouw. Ze leek wat gestrest toen ik voor haar deur stond, haar tas lag nog open, ze legde er af en toe iets in. Ze liet me zien wat er allemaal in de koelkast ligt en zei dat ik alles moest opeten. En van die ontbijtkoek ga je goed poepen. Nadat ze was verdwenen in een grote witte bestelbus richting de Veluwe, vond ik mij alleen in het huis, op vier vogels en een kat genaamd Twix na.
De vier vogels verschillen veel van elkaar. Duif is het meest sociaal, maar tegelijk kan ze het agressiefst zijn. Eend is een goedzak en hij luistert het best. Ik kan hem honderd keer roepen en elke keer komt hij meteen. Hij gaat alleen niet zoals Duif bij je zitten omdat hij dat prettig vindt. Hij doet het alleen voor de beloning. Broek is ook gehoorzaam, maar hij is brutaler dan Eend, doet waar hij zin in heeft. Trui, de jongste en laatste, is nog bang voor mensen en bang in het algemeen.
Len Howard verlaat haar leven, haar relatie, haar familie, voor een leven met vogels. Tegelijk is dit ook een zoektocht naar zelfstandigheid. Het boek beschrijft op een zeer realistische manier de strijd die ze moet leveren en de offers die ze moet brengen voor haar zelfstandigheid, in een tijd waarin vrouwen nog niet zelfstandig hoorden te zijn. Het is een bijzonder tragisch verhaal en tegelijk voel ik des te meer bewondering voor haar keuze, juist doordat de keuze repercussies had.
Ik kan niet slapen, vanwege de gedachte dat mijn leven een grote mislukking is. Waarom dit voor slapeloosheid zorgt, is omdat ik naast deze plotseling aanval van twijfel, tegelijk vind dat ik eens iets van dat leven moet maken en wel voordat ik ga slapen. Om de een of andere reden heb ik dit vaker als ik alleen ben. Sandrien geeft me het gevoel dat ik niet alleen maar iets moet worden, maar dat ik al iets ben, of misschien voel ik me bij haar geen totale mislukkeling, omdat ik toch haar heb weten te versieren.
“Please don't forget your bags. Check the overhead compartment, look under your seat. Oh and if you do forget something and it has some value, you can always go to... the market square in Amsterdam.”
Ali vertelt over zijn zoon die kortgeleden is besneden en laat, heel af en toe een blik op de weg werpend, trots foto's zien van zijn zoon in Algerije in traditionele kleding, met een rood petje en een wit gewaad. “Hij kreeg de hele dag cadeaus en geld, niet dat dat geld iets waard is, maar dat weet hij niet. Iedereen die hem zag in die kleding stopte hem wat geld toe, dat hoort erbij, om het trauma te vergeten hè. De volgende dag was hij wat teleurgesteld, omdat hij opeens geen geld meer kreeg.” De andere twee passagiers, een Frans stel, vertelt dat ze nu al, ze trouwen pas over drie maanden, ruzie hebben over of hun toekomstige kinderen besneden moeten worden. Zij is net als Ali van Algerijnse afkomst, in Frankrijk geboren.
Ik heb de kooien nu de hele dag open staan. Op dit moment zitten de vogels allemaal in de kooi. Ze zijn moe van het badderen en vliegen. Broek en Trui zitten naast elkaar en fluiten fluisterend liedjes in elkaars oren. Op deze momenten, wanneer ze moe zijn en tegen elkaar aan zijn gekropen, trekken ze het volledige register van hun vogelzang open. Ze maken veel geluiden die lijken op het klakken met de tong. Ze luisteren heel goed naar elkaar, en genieten zichtbaar van elkaars zang.
“Weet je wat het is.”, zegt Ali. “Mijn zoontje op de peuterschool kreeg laatst van zijn juf de vraag: En waar kom jij vandaan? Hij is in Nederland geboren, maar hij krijgt nu al te horen dat hij er niet bij hoort. Ik wil dat hij de mogelijkheid heeft om in Algerije te gaan wonen, als hij dat later zou willen, maar om in Algerije geaccepteerd te worden, moet je besneden zijn... als je jong bent dan hè, als je een oude man bent, maakt het niet uit.”
Het tweede eitje is uitgekomen. Ik zag het gebeuren. Opeens lag daar een kuikentje, nog kleiner dan die ander, nog in de vorm van het ei. Het is een mooi gezicht hoe Duif en Eend voor de kuikens zorgen. Overdag zit Duif bijna de hele tijd op het nest, gaat er alleen uit om nestmateriaal te verzamelen en te poepen. Het instinct om het nest te maken is zo sterk dat Duif de papiersnippers die ze heeft verzamelt, al wekenlang blijft proberen te bevestigen aan de houten wand van het nestkastje. In het wild bouwen ze op die manieren geweldige constructies van meerdere nesten. Eend is de hele dag aan het eten. Af en toe klinkt er gepiep uit het nest waarop Eend Duif en de kuikens gaat voeren. 's Nachts steken er twee staartjes uit het nestkastje, liggen de twee ouders naast elkaar op de kuikens.
In de keukenkastjes vind ik alleen een nog onaangebroken pak koffie. Ik kan geen koffiezetapparaat vinden. Door het gebrek aan cafeïne en aan slaap, heb ik soms het idee dat ik helemaal niet wakker ben, omdat ik vergeet wat ik net heb gedaan, soms zorgt het er juist voor dat het leven te luid is, dat elke stap van mijn eigen voeten voelt alsof er een heipaal in de grond wordt geslagen. Het zou toch wel fijn zijn om weer thuis te zijn.