dinsdag 28 februari 2017

Het geluid

Een vreemd geluid houdt me wakker. Het klinkt als een golfplaat die door de wind over het dak stuitert. Het is moeilijk een vervelender geluid te verzinnen, maar vervelender dan de aard van het geluid, is de frequentie. Soms denk ik even dat het stopt, ik begin weg te doezelen, maar dan begint het weer. Ik heb was in mijn oren gestopt, maar het geluid dringt er doorheen. We dachten dat het de bovenburen waren. Sandrien zat ze al uit te schelden en ik stelde me al voor hoe ik bij ze zou aanbellen, dat ze zouden opendoen. We dachten dat het de bovenburen waren, omdat zij twee dagen geleden nog een groot feest gaven. Het duurde tot diep in de nacht. Er werd luid geconverseerd om boven de muziek uit te komen. Een enkeling danste. Wel vreemd, omdat we geen bovenburen hebben, maar dat hindert niet. Nu denken we al niet meer dat zij het zijn. Het is toch de wind en er zal iets loszitten op het dak. Niemand die tot diep in de nacht met golfplaten in de weer is. Het is vast de wind. De wind slaapt niet. Maar ik, zal ik nog slapen?
Ik droom dat ik aan het hardlopen ben. Een auto probeert vlak voor mij in te parkeren. Achter mijn rug probeert een auto te keren. Ik loop om de auto's heen, maar waar ik ook naartoe draai, er komt een auto aan. Eindelijk bevrijd van de auto's, word ik aangereden door een fietser. Woedend pak ik hem op en gooi ik hem in de goot. Dan zie ik dat het een oud mannetje is. Er is bovendien iets mis met het mannetje. Hij is niet helemaal goed. Hij heeft een appel in zijn hand. In mijn beste Frans, (ik spreek Frans in mijn droom?) bied ik mijn excuses aan. De bestuurders van de auto's ontfermen zich over het oude mannetje en ze lachen naar me. Waarom zijn ze zo aardig? Ik herhaal nog eens hoezeer het me spijt dat ik het oude mannetje in de goot heb gegooid, maar ze blijven vriendelijk lachen. Ze zouden niet aardig moeten zijn, denk ik nog voor ik wakker word.
Half wakker is een beter woord. Na het ontbijt en drie koppen koffie beklim ik de trap naar de bovenste verdieping. Ik bel aan bij de bovenburen, ook al weet ik dat er niemand boven ons woont. De bel doet het niet. Het spionnetje is enkel een gat in de deur. Ik tuur naar binnen, maar zie enkel duisternis. Als de kamer bewoond zou zijn, dan gebruiken de bewoners een ander trappenhuis, want van deze kant is de deur gebarricadeerd door planken. Aan de andere kant van het trappenhuis staat een deur open, maar hierachter bevindt zich slechts een wc-pot. Midden in het trappenhuis, steunend tegen de leuning, staat een ladder naar het dak. Ik klim op de ladder, doe het raam naar het dak open, en steek mijn hoofd naar buiten.
Het is geen bijzonder dak. Ik zie bij de overburen elektriciteitsdraden van de antennes naar de ramen van de verschillende appartementen lopen. Via de ramen gaan de draden naar binnen. Een draad hangt los, maar kan onmogelijk veel lawaai maken. Hij is bovendien in de naalden tegen de duiven verstrikt geraakt. Niet ver van waar een duif op de naalden was gaan zitten en waar nu nog maar een paar botjes liggen. Op ons dak zie ik niets loszitten. Geen stuiterende golfplaten. Er zitten twee duiven, maar ze lijken vrij onschuldig. Ik steek mijn hoofd weer naar binnen en klim naar beneden. Pas als ik weer in onze kamer kom, begint het geluid weer. Het houdt nooit meer op.

maandag 27 februari 2017

Een man in een rots

Een man zit in een rots. Hij zit er al sinds woensdag geloof ik.
Voordat hij in een rots zat, heeft hij in een karkas van een beer gezeten, in een kamertje, dat wel. En hij zat ook een tijdje in een fles, op een paal en in de grond.
Nu zit hij in een rots. Mensen praten met hem door een spleet tussen de twee rotshelften. Ik hoor niet wat ze zeggen. Ik hoor niet wat hij terug zegt, maar op de videobeelden van uit de rots, zie ik zijn lippen bewegen.
Op een bordje naast de rots staat dat de man wil weten hoe het is om een rots te zijn. Ik begrijp het niet helemaal, want rotsen praten niet met mensen. Als je wilt weten hoe het is om een rots te zijn, kun je beter niet met mensen praten. Deze man praat wel met mensen, door de spleet van de rots. Misschien denkt hij dat ze het anders niet geloven, dat hij in de rots zit. Misschien heeft hij gelijk.
Van de buitenkant van de rots zie je niet dat er iemand in zit. Van de buitenkant is het gewoon een rots. Je vraagt je wel af waarom de rots gespleten is in twee helften, maar je bent niet heel verbaasd. Van een rots in een museum kijkt niemand op, zelfs niet van een rots met een spleet. Pas als je met de rots praat, geloof je dat het niet gewoon een rots is, maar dat er iemand in zit. Rotsen praten niet met mensen, zelfs niet een rots met een spleet.
Verderop in het museum ligt een zwartgeblakerde boom. Ik vraag aan de boom hoe het is om een miskende kunstenaar te zijn. De boom zegt niets terug.