zondag 21 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees (2)

Ik heb wel een theorie ontwikkeld over hoe St. Antonius aan zijn varken kwam. Op zijn twintigste trok Antonius naar de woestijn om zijn leven aan God te wijden, wat onder andere inhield dat hij niet meer at. De duivel begon Antonius dan ook te tarten met visioenen van overvloedig eten. Zodra de jonge, hongerige kluizenaar ergens ging zitten, verscheen daar ogenblikkelijk een rijkgevulde tafel, maar als hij opstond loste deze op in het luchtledige. De duivel begreep dat hij met meer moest aankomen dan luchtspiegelingen en bereidde een groot feestmaal, met als hoogtepunt het varken op het spit. Het varken op het spit, met zo'n klein rood appeltje in zijn bek, is misschien inmiddels wat clichématig, maar we spreken hier over de derde eeuw na Christus en in die tijd was een dergelijk varken nog heel wat. Antonius was echter niet onder de indruk. Hij trok het varken van het spit en wekte het weer tot leven. Sint Antonius zag het varken in al z'n roze pracht en was meteen verliefd. Het varken beantwoordde zijn liefde en was zo dankbaar dat hij Sint Antonius eens per jaar op diens verjaardag toestond om hem op te eten, met de voorwaarde dat hij hem nadien weer tot leven zou wekken. Sindsdien en tot de dag dat Antonius, op 105-jarige leeftijd, stierf, waren ze onafscheidelijk. Dit is het eerste nog immer onbekende mirakel in het leven van de heilige sint Antonius.

Ik noemde mij een kunstenaar en als kunstenaar wilde ik leven. Zoals Antonius naar de woestijn trok om zich aan God te wijden, zo trok ik mij terug uit het leven om het op te offeren aan de kunst. Ik kocht varkensharen kwasten, die hebben een prettige stugheid, en begon te offeren. De visioenen brachten echter geen inspiratie. Het varken in mijn ziel liet zich zien in de gestalte van een slang. De slang draaide zich om mijn borst, tot ik opeens ontdekte dat ik niet meer kon ademen. Het geval wilde dat ik ongelukkig werd. Als het de duivel was die me in die dagen kwam verzoeken, dan had hij me toch op zijn minst een wulpse, naakte vrouw kunnen aanbieden. Ik had haar met beide handen vastgegrepen. Maar de duivel getroostte zich geen moeite. Ik moest zelf op zoek, maar ik bleef zitten, in de ban van de luchtspiegelingen van mijn gedachten.

Het is of ik in mijn ziel een wild varken heb. Hij knort en snuift van ongeduld. “Wanneer gaat dat leven van je nou eens beginnen?”, vraagt hij me. Zie hier mijn innerlijke strijd: de kunstenaar in mij wil zijn varken niet voeden en daarom begint het beest maar aan mij te knagen. Hij begint met mijn voeten en eindigt met mijn gedachten, die hij gulzig verorbert, voor hij in de modder gaat liggen om zich enkel nog te verroeren wanneer hij de plotselinge behoefte voelt om zijn ballen te likken. Zo blijft hij liggen, dagen, of weken aaneen. Ik heb eens geprobeerd mij te bevrijden van het varken door het aan te vallen met een mes, alleen om erachter te komen dat ikzelf het varken was. Het rode bloed dat uit mij sijpelde, bracht enige verlichting, voor ik me weer in de modderpoel liet zakken.

Nu is er inmiddels menig vrouw, want al het leven begint bij de vrouw, op mijn pad verschenen, of toch zeker enkele, meer dan één, maar mijn onrust blijft me plagen. Ik ben op een zekere manier onthecht geraakt van het leven, alsof ik te lang in de spiegel heb gekeken en langzamerhand het spiegelbeeld ben geworden.

Om mijn minachting voor het leven in al zijn omvang te begrijpen, moet ik misschien vertellen over Sandrien. Ik zag Sandrien voor het eerst bij een leesgroepavond van de studentenvereniging Flanor en vanaf die avond was ik niet meer instaat om te poepen, of winden te laten. Deze constipatie nam zulke sterke vormen aan, dat mijn maag zich tot schrikwekkende grootte begon op te blazen en ik, wanneer ik mij in dezelfde ruimte bevond als Sandrien, gekweld werd door hevige pijnscheuten. De avonden bij Flanor duurden tot in de ochtend en ik herinner me hoe ik vaak bij het eerste licht naar huis rende, om op de wc neer te storten, zonder dat deze verlichting bracht. Ik probeerde het met slaan, met hard op mijn buik slaan. Ik hoopte dat de ballon zou knappen en de lucht naar buiten zou lopen, maar wat ik ook deed, het hielp niets. En voordat je denkt dat ik een slachtoffer ben, moet je weten dat het een bewuste keuze was. Zodra ik bij Sandrien in de buurt kwam, schakelde ik mijn darmstelsel uit en mijn lichaam wreekte zich de volgende ochtend. Erger dan de pijn zou het voor mij zijn geweest, dat Sandrien mij zag als het varken dat ik was. Maar hoe dieper ik het varken wegstopte, hoe lelijker hij werd.

Voor zover mijn verwantschap met het varken. Ik sprak ook over een grote verandering. Daarvoor moet ik nog even terugkeren naar Bretagne, naar een strand, een grot en een groot gevoel van angst.

Nee, misschien moet ik nog verder terug: Het was 9 augustus, twee jaar geleden. Sandrien en ik waren in Noorwegen. Het stormde. Bomen werden ontworteld. In een haventje was zelfs een boot, die de naam “Gleden”(Genoegen) droeg, door de hoge golven van de kade losgeslagen en had daarbij een stuk steiger meegenomen. We besloten om te gaan zwemmen. Ik beschreef het toen als volgt: “Ik had als enige zwemkleding en voelde een lichte gêne om te zwemmen met drie naakte vrouwen, maar ik begreep het gevoel van vrijheid dat zij vierden wel enigszins.” Ik schreef toen niet over angst, omdat ik die niet voelde. Wel beschreef ik hoe we over ons hele lichaam en in het bijzonder tussen onze benen, de zwembroek had in deze kwestie de zaak alleen maar erger gemaakt, rode bulten hadden door de kwallen die met de storm richting land waren gedreven. Het dagboek dat ik bijhield was als een sluier over mijn ervaringen, waardoor het gevaar van de zee mij ontging, maar ik me de jeuk van de rode bulten nu nog levendig herinner.

Het is een merkwaardig toeval dat amper een week later, nadat we de boot “Genoegen” zagen kapseizen in de zee, we ons afvroegen of Sandriens ouders nog leefden, maar daarover zal ik nu niet schrijven.

Ik dwaal wellicht af, maar laat me dwalen, want dwalen is mijn manier van de weg vinden.

Dit jaar keerden we terug naar Noorwegen. De eerste week waren we in de Fjorden en hield ik me voornamelijk bezig met het vangen van vissen. Dagenlang stond ik op een steiger en uur na uur wierp ik de hengel opnieuw uit. Een vreemd gevoel maakte zich van me meester wanneer ik opeens een vis aan de lijn voelde trekken en in het bijzonder wanneer de kracht zo groot was, dat de nog onbekende vis in mijn gedachten een gigantische gestalte aannam. De eerste keren liet ik de vis ontsnappen, maar ik was al verslaafd. Toen ik eenmaal een vis op het droge had, moest ik hem doden door eerst de onderkant van de kop los te maken van het lijf en in dezelfde beweging de kop van de vis te trekken. Het rode bloed spoot met grote kracht uit de vis, en omdat ik er niet op bedacht was, spoot het over mij heen. Na de vis van organen te hebben ontdaan, legde ik hem in een emmer water en merkwaardig genoeg begon hij, na vijf minuten zonder kop en organen daar te hebben gelegen, plotseling te zwemmen.

Hoewel mijn beestachtigheid wel bevredigd werd door deze beoefening van wreedheid, was het de tweede week in Noorwegen die het varken in mij echt tot rust bracht, al besefte ik dat pas veel later. In de tweede week trokken we naar een gebied waar geen mensen en geen dieren leefden, om daar enkel te leven op wat we hadden meegebracht. Sint Antonius had weliswaar niet de beschikking over droog voedsel dat met een beetje kokend water in een volledige maaltijd veranderde, maar toch is het wellicht het dichtst dat ik ooit bij zijn verblijf in de woestijn zal komen. Sandrien genoot van de woeste natuur, maar ik kon haar gevoel niet delen. Ik voelde enkel een grote angst. En tijdens die week besefte ik al waarom ik zo bang was. Ik had geen schetsboek mee en hield ook geen dagboek bij. Alles wat ik meemaakte, drong direct door in al zijn ruwe werkelijkheid en het maakte me doodsbang. Als ik over de sneeuw glibberde langs een diep ravijn, dacht ik niet aan het verhaal dat ik erover zou kunnen schrijven, maar alleen aan de pijn die ik zou voelen wanneer ik beneden lag.

Nu was het in Bretagne, dat die angst plotseling terugkwam. Ik was afgelopen weekend in Bretagne met Sandrien. We waren op een klein schiereiland. Het was erg warm. We hadden twee liter water mee, maar dat was na een paar uurtjes op, waardoor we bij iemand moesten aanbellen om onze flessen bij te vullen. Had Sint Antonius geen dorst in de woestijn? We besloten de nacht door te brengen op een strand. Sandrien wilde eigenlijk in een grot slapen, maar ik zag dat niet zitten. Het strand nu, was klein, met aan alle zijden, behalve waar de zee was, hoge rotswanden. Met eb waren we erheen gelopen en het pad was verdwenen in de opkomende zee. Het was al donker toen de zee steeds dichter naar ons toe kroop en we ons afvroegen hoe hoog die eigenlijk zou komen en op dat moment voelde ik weer dezelfde angst. Achteraf bekeken was de angst waarschijnlijk belachelijk en was het veel gevaarlijker, dat we midden in de nacht een rotswand hebben beklommen, maar over redelijkheid, dat mag inmiddels duidelijk zijn, voel ik niet de behoefte om te schrijven.

En al die inleiding had ik nodig, om een ontmoeting te beschrijven, die ik had met een beeld.

“Au Grand Antoine”, staat geschreven boven de vriendelijk ogende grijsaard. Hij draagt een zware monnikspij en sandalen. Het varken kijkt van beneden lachend omhoog naar zijn beschermheilige. Het is 14 augustus. Ik sta tussen de honderden duiven en de zwervers, die zich om onbekende reden verzamelen onder de Porte st. Denis in een geur van urine en ik staar in complete vervoering omhoog naar de Grote Antonius. En ik realiseer me plotseling dat mijn varken naast me staat, zoals het varken van sint Antonius, als een vriend. En dat de oplossing zo eenvoudig is, namelijk het ontzag voor de natuur. Soms moet het leven in al zijn volheid worden ervaren, zonder spiegel ertussen. De angst, die ik daarbij voelde, heeft het varken gevoed en angst is veel voedzamer dan schamele gedachten. Ik voel een verlangen om te scheppen in mij opkomen.

3 opmerkingen:

  1. Prachtig!! Ik heb in een '' Atemzug'' doorgelezen! Bedankt dat je deze bijzonder intieme en zo herkenbare verhalen met ons deelt Gaaike!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Heel, heel bijzonder Gaaike. Wat schrijf je schitterend en eerlijk Gaaike. Ook ik heb ademloos gelezen. Ga door! X Jantien

    BeantwoordenVerwijderen