woensdag 24 augustus 2016

Stijloefeningen tijdens het hardlopen

1. Runkeeper

Afstand: 11,09km
Totale stijging: 243m
Tijd: 56:53u
Gemiddelde snelheid: 5:08 m/km
Locatie: Parc des Buttes-Chaumont

2. Kort verslag

Vandaag heb ik zo ongeveer een uurtje, hardgelopen in het Parc des Buttes-Chaumont.

3. Informatief

Het Parc des Buttes-Chaumont dat in 1876 is geconstrueerd op een oude gipsmijn is bijzonder on-Frans: de bomen zijn niet rechthoekig en de paden lopen alle richtingen uit, ook in verticale richting, waardoor je soms zomaar per ongeluk in een grot of in een tempeltje belandt. Ik vind het fijn om hier hard te lopen, omdat je nooit het idee hebt twee keer dezelfde route te nemen. Vandaag bijvoorbeeld, zie ik voor het eerst een beeld van een man die tegen een rotswand klimt en dreigt te vallen. Het beeld heet Le Gouffre, oftewel de afgrond, en is in 1933 gemaakt door Sylvain Kinsburger. Wellicht verwijst het naar de geschiedenis van het gebied.

4. Observaties betreffende voeten

Vandaag zie ik, als ik aan het hardlopen ben, een blauwgele ara. De gigantische vogel zit vast aan een touwtje en kan kleine stukjes vliegen. Lopend ziet hij er maar onhandig uit vergeleken met de kraaien die met een opvallend lichte tred over het pad huppelen. Deze vliegen echter verschrikt op als de ara een luid gekrijs laat horen.

Even verder zijn twee hiphop-tapdansers hun kunsten aan het vertonen. Ze zijn misschien wel de meest hipsterste mensen die ik ooit heb gezien. De een draagt zwart-witte tapschoenen, de ander rolschaatsen. Ze hebben allebei een houten plaat om op te dansen.

Het Parc des Buttes-Chaumont is een populaire plek om te wandelen en ik moet vaak slalommen om de Parijzenaars te ontwijken. Een belangrijke reden dat ik toch hier loop, is het feit dat er erg veel kranen zijn met drinkwater. Bij een van de kranen is een oudere man zich aan het wassen. Hij besteedt heel veel aandacht aan zijn voeten, iets wat me doet denken aan Tadzjikistan. Daar heb ik heel veel oude mannen op straat bezig gezien met het wassen van hun voeten.

Op een gravelterrein zijn mannen hun spieren aan het trainen. Twee van hen beoefenen een vechtsport met een stok. De een doet een beweging voor en de ander doet deze na. Na een tijdje legt de leraar de stok neer en loopt hij naar het hek, dat rond het gravelterrein ligt. Hij tilt zijn been op en schopt tegen een boom aan de andere kant van het hek. Deze beweging herhaalt hij een tijdje. Zijn voet laat geen afdruk achter.

5. Meta

Het zweet druipt van mijn voorhoofd en prikt in mijn ogen, als ik plotseling besef dat ik mezelf voor de gek hou. In een schijnbaar eeuwige repetitie zet ik mijn ene voet voor de ander, terwijl deze gedachte steeds meer aan betekenis begint te winnen. Ik voelde me zo prettig, in dit verhaal van heuvels en dalen en zelfoverwinning.

De heuvels en dalen zijn er werkelijk. Het Parc des Buttes-Chaumont, waar ik hardloop, bestaat enkel uit hoge heuvels en diepe dalen. Maar die zelfoverwinning, is die niet gewoon bullshit? Is het niet gewoon een narratieve constructie? Ben ik hier mezelf aan het overwinnen, of ben ik gewoon aan het hardlopen?

En als ik alleen maar aan het hardlopen ben, waarom zou ik dat dan doen? Ik ga geen olympisch goud winnen. Ik loop hier maar. Zonder doel. Als ik klaar ben. Ben ik moe. Dat is alles. Alles wat ik bereik. In mijn leven. Dat ik moe zal zijn. En waarvoor? Voor niets.

En ik moet verdomme nog acht kilometer.


dinsdag 23 augustus 2016

Me with a wig

In een grote volledig witte zaal ligt een roze vloerkleed, waarop spierwitte olifantenskeletten staan. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de olifanten een bizarre anatomie hebben. De een heeft drie slurven in de vorm van orgelpijpen, bij een ander ontbreekt juist de slurf. Na een tijdje te hebben staan kijken, begint een van de olifanten opeens geluid te maken. Het is een droevig geluid. Dan zie ik dat er twee glazen kannen naast hem staan, waar hij met slangetjes aan verbonden is. Langzaam drupt er water in de kannen. De olifant huilt en hoewel het maar een beeld is en ook nog eens een zeer vervreemdend beeld, heb ik even het gevoel dat het een levend wezen is. Na deze olifant beginnen de andere geluid te maken. Elke olifant heeft zijn eigen geluid.

Het is een kunstwerk van Marguerite Humeau. Ik ben in het Palais de Tokyo. Dit museum van hedendaagse kunst is misschien wel mijn favoriete museum in Parijs. Het is moeilijk om zoiets te beweren in de stad van het Louvre, maar mijn enthousiasme wil zich uiten in overdrijvingen. En wie wordt niet enthousiast van een museum dat pas om middernacht sluit?

In mijn blogs wek ik wellicht wel eens de indruk dat de hedendaagse kunst die pretendeert avant-gardistisch te zijn, niet aan me is besteed. Ik ben het maar gedeeltelijk eens met de uitspraak “Alles is kunst” en dan laat ik de kunstenaars die van niets kunst maken, nog buiten beschouwing. Neem bijvoorbeeld de expositie van David Ryan en Jêrome Joy in het Palais de Tokyo, die de toepasselijke titel “Nothing at all” draagt. Het werk gaat over een imaginaire figuur die voor zijn beroep klavertjes-vier-zoeker is. We zien foto's en voorwerpen uit diens leven. Dit is allemaal uiteraard heel poëtisch en een metafoor voor de zoektocht naar geluk en na vijf minuten vlucht ik de zaal uit. Het is naar mijn idee niet veel meer dan mystificatie en wat veel erger is: nogal humorloos. Natuurlijk erg makkelijk om daar een vermakelijk blog over te schrijven, maar vandaag ben ik een jubelend kind en geen zeurende grijsaard.

Wat het Palais de Tokyo zo bijzonder maakt, is dat het gebouw zich vanbinnen naar de kunst vormt, die het huist. In een van de zalen veranderen de pilaren en balken die het gebouw ondersteunen in bomen die in elkaar verstrengeld zitten. Dit kunstwerk van Henrique Oliviera fascineert me zeer, aangezien de combinatie van natuur en architectuur ook een belangrijk thema is in mijn werk. In een andere zaal heeft Martin Soto Climent de ruimte gevuld door een netwerk van panty's dat mij doet denken aan synaptische verbindingen in de hersenen. Dit heeft niet echt raakvlakken met mijn werk, maar het is best wel cool.

Maar dat is nog niets vergeleken met de tempel van Shana Moulton, een gebouw binnen een gebouw. Als ik de tempel die door twee sphynxen wordt bewaakt, binnentreed, beginnen de sphynxen Total Eclipse of the heart te zingen en zie ik de worsteling van een vrouw met prikkelbaredarmsyndroom in een op vrouwen gerichte reclamewereld die langzaam uit elkaar valt in meditatiegolven.
Voor wie dit verwarrend vindt, kunnen de woorden van de kunstenares zelf misschien wat duidelijkheid verschaffen: “The main focus in the videoperformance is the alter-ego that I work with, named Cynthia. She's not so much of a separate character, she's more just me with a wig.”

Ik wil haar zoenen!







maandag 22 augustus 2016

De stoel (2)

Er is iets in de persoon van Michel Houellebecq, de Franse schrijver, dat mij diep ontroert en tegelijk aan het lachen maakt. Toen ik voor de eerste keer zijn expositie in het Palais de Tokyo bezocht, was ik in eerste instantie verward. De expositie, die voornamelijk uit foto's bestaat, doet denken aan de kunst in De kaart en het gebied en komt me even voor als een mystificatie, die ten doel heeft de moderne kunst te bekritiseren. Er zitten zeker foto's tussen die ik mooi vind, maar meer dan de foto's, vallen de stoelen me op, die in elke ruimte staan. De reden dat ik de stoelen zo mooi vind, is omdat ik voor me zie hoe Michel Houellebecq de expositie inrichtte en erop hamerde dat er meer stoelen moesten komen! Dit beeld ontroert me.

De eerste zalen van de expositie zijn erg donker, waardoor de foto's goed uitkomen. Ik zie een man een papier voor een foto houden. Dichterbij gekomen, zie ik dat het een informatieblad is dat hij probeert te lezen. Het was me niet opgevallen dat er informatieblaadjes bij de ingang lagen, maar ze blijken veel licht te werpen op wat eerst vervreemdend was. Ze zijn door Houellebecq zelf geschreven. Bij elke ruimte geeft hij een kort commentaar, bijvoorbeeld waarom hij bepaalde foto's heeft gekozen, of wat voor toevallige gedachte daarbij in hem op was gekomen. Bij kamer vijf lees ik: “I like creating rooms where you can take a break, as well. That's why I put seats in – seats are a total obsession!”

In een kamer die als een huiskamer is ingericht, kun je een Nederlandse documentaire over Michel Houellebecq kijken. De documentaire doet verslag van de uitreiking van de Prix de Goncourt, de meest prestigieuze Franse prijs voor de literatuur. In de aanloop worden allerlei mensen die hierbij betrokken zijn, geïnterviewd over Houellebecq. Uiteindelijk wordt de uitslag bekend gemaakt. Het is niet Houellebecq.

Twee vrouwen zijn intussen naast mij gaan zitten. Ze zitten net als ik onderuitgezakt, alsof ze thuis op de bank tv kijken. Het voelt wel vreemd om het huiskamergevoel te delen met mensen die ik niet ken. In de documentaire wordt een fragment getoond van de film La Rivière, van Houellebecq. De film gaat over twee naakte vrouwen die in een huis naast een rivier wonen. Na een scène waarin de ene vrouw de andere oraal bevredigt, waar maar geen einde aan lijkt te komen, kijken ze met een verrekijker uit over de rivier. “Het is hier wel veranderd.”, zegt de vrouw met de verrekijker. “Er zijn andere mensen komen wonen.” Door de verrekijker zien we twee andere naakte vrouwen door de rivier waden.

Na alle donkere kamers kom ik plotseling in een grote fel verlichte ruimte waarin de vloeren en wanden bekleed zijn met schreeuwerige ansichtkaarten en reclameposters. Ik moet even bekomen van de schok. Houellebecq schrijft: "I want maximum saturation, I want it painful, I want the colours garish. I think saturation and tourism go well together. Tourism is a shock."

Een andere kamer is volledig gewijd aan de hond van Houellebecq. Bij de ingang hangt een ingelijste foto van de grafsteen van Clement. In een vitrinekast zijn alle speeltjes uitgestald die de hond gedurende zijn leven heeft gehad. Aan de wanden hangen tientallen buitengewoon amateuristische aquarellen die Houellebecq heeft gemaakt van zijn hond, met titels als: Nieuwsgierig naar alles. In een aangrenzende ruimte is een diashow te zien met alle foto's die Houellebecq van zijn hond heeft gemaakt. Een lied van Iggy Pop op tekst uit De mogelijkheid van een eiland begeleidt de foto's.

“Buffon zei: Stijl is de mens.”, aldus Houellebecq: “Dat is niet onjuist.”
Ik heb er over het algemeen een hekel aan als mensen meer geïnteresseerd zijn in het leven van de schrijver, dan in zijn werk. In het geval van Houellebecq zou ik een uitzondering willen maken. Zowel zijn stijl als zijn persoon hebben iets, dat mij diep ontroert en tegelijk aan het lachen maakt.

De laatste zin op het informatieblaadje bijvoorbeeld: “Suddenly, an intrustive, gloomy romanticism emerges re-enligthening the whole, and a second visit can begin. That would mean total succes, and I can't hope for it very often; if I get there with one or two people a day, then that will be fine.”

Maar eerst even zitten

zondag 21 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees (2)

Ik heb wel een theorie ontwikkeld over hoe St. Antonius aan zijn varken kwam. Op zijn twintigste trok Antonius naar de woestijn om zijn leven aan God te wijden, wat onder andere inhield dat hij niet meer at. De duivel begon Antonius dan ook te tarten met visioenen van overvloedig eten. Zodra de jonge, hongerige kluizenaar ergens ging zitten, verscheen daar ogenblikkelijk een rijkgevulde tafel, maar als hij opstond loste deze op in het luchtledige. De duivel begreep dat hij met meer moest aankomen dan luchtspiegelingen en bereidde een groot feestmaal, met als hoogtepunt het varken op het spit. Het varken op het spit, met zo'n klein rood appeltje in zijn bek, is misschien inmiddels wat clichématig, maar we spreken hier over de derde eeuw na Christus en in die tijd was een dergelijk varken nog heel wat. Antonius was echter niet onder de indruk. Hij trok het varken van het spit en wekte het weer tot leven. Sint Antonius zag het varken in al z'n roze pracht en was meteen verliefd. Het varken beantwoordde zijn liefde en was zo dankbaar dat hij Sint Antonius eens per jaar op diens verjaardag toestond om hem op te eten, met de voorwaarde dat hij hem nadien weer tot leven zou wekken. Sindsdien en tot de dag dat Antonius, op 105-jarige leeftijd, stierf, waren ze onafscheidelijk. Dit is het eerste nog immer onbekende mirakel in het leven van de heilige sint Antonius.

Ik noemde mij een kunstenaar en als kunstenaar wilde ik leven. Zoals Antonius naar de woestijn trok om zich aan God te wijden, zo trok ik mij terug uit het leven om het op te offeren aan de kunst. Ik kocht varkensharen kwasten, die hebben een prettige stugheid, en begon te offeren. De visioenen brachten echter geen inspiratie. Het varken in mijn ziel liet zich zien in de gestalte van een slang. De slang draaide zich om mijn borst, tot ik opeens ontdekte dat ik niet meer kon ademen. Het geval wilde dat ik ongelukkig werd. Als het de duivel was die me in die dagen kwam verzoeken, dan had hij me toch op zijn minst een wulpse, naakte vrouw kunnen aanbieden. Ik had haar met beide handen vastgegrepen. Maar de duivel getroostte zich geen moeite. Ik moest zelf op zoek, maar ik bleef zitten, in de ban van de luchtspiegelingen van mijn gedachten.

Het is of ik in mijn ziel een wild varken heb. Hij knort en snuift van ongeduld. “Wanneer gaat dat leven van je nou eens beginnen?”, vraagt hij me. Zie hier mijn innerlijke strijd: de kunstenaar in mij wil zijn varken niet voeden en daarom begint het beest maar aan mij te knagen. Hij begint met mijn voeten en eindigt met mijn gedachten, die hij gulzig verorbert, voor hij in de modder gaat liggen om zich enkel nog te verroeren wanneer hij de plotselinge behoefte voelt om zijn ballen te likken. Zo blijft hij liggen, dagen, of weken aaneen. Ik heb eens geprobeerd mij te bevrijden van het varken door het aan te vallen met een mes, alleen om erachter te komen dat ikzelf het varken was. Het rode bloed dat uit mij sijpelde, bracht enige verlichting, voor ik me weer in de modderpoel liet zakken.

Nu is er inmiddels menig vrouw, want al het leven begint bij de vrouw, op mijn pad verschenen, of toch zeker enkele, meer dan één, maar mijn onrust blijft me plagen. Ik ben op een zekere manier onthecht geraakt van het leven, alsof ik te lang in de spiegel heb gekeken en langzamerhand het spiegelbeeld ben geworden.

Om mijn minachting voor het leven in al zijn omvang te begrijpen, moet ik misschien vertellen over Sandrien. Ik zag Sandrien voor het eerst bij een leesgroepavond van de studentenvereniging Flanor en vanaf die avond was ik niet meer instaat om te poepen, of winden te laten. Deze constipatie nam zulke sterke vormen aan, dat mijn maag zich tot schrikwekkende grootte begon op te blazen en ik, wanneer ik mij in dezelfde ruimte bevond als Sandrien, gekweld werd door hevige pijnscheuten. De avonden bij Flanor duurden tot in de ochtend en ik herinner me hoe ik vaak bij het eerste licht naar huis rende, om op de wc neer te storten, zonder dat deze verlichting bracht. Ik probeerde het met slaan, met hard op mijn buik slaan. Ik hoopte dat de ballon zou knappen en de lucht naar buiten zou lopen, maar wat ik ook deed, het hielp niets. En voordat je denkt dat ik een slachtoffer ben, moet je weten dat het een bewuste keuze was. Zodra ik bij Sandrien in de buurt kwam, schakelde ik mijn darmstelsel uit en mijn lichaam wreekte zich de volgende ochtend. Erger dan de pijn zou het voor mij zijn geweest, dat Sandrien mij zag als het varken dat ik was. Maar hoe dieper ik het varken wegstopte, hoe lelijker hij werd.

Voor zover mijn verwantschap met het varken. Ik sprak ook over een grote verandering. Daarvoor moet ik nog even terugkeren naar Bretagne, naar een strand, een grot en een groot gevoel van angst.

Nee, misschien moet ik nog verder terug: Het was 9 augustus, twee jaar geleden. Sandrien en ik waren in Noorwegen. Het stormde. Bomen werden ontworteld. In een haventje was zelfs een boot, die de naam “Gleden”(Genoegen) droeg, door de hoge golven van de kade losgeslagen en had daarbij een stuk steiger meegenomen. We besloten om te gaan zwemmen. Ik beschreef het toen als volgt: “Ik had als enige zwemkleding en voelde een lichte gêne om te zwemmen met drie naakte vrouwen, maar ik begreep het gevoel van vrijheid dat zij vierden wel enigszins.” Ik schreef toen niet over angst, omdat ik die niet voelde. Wel beschreef ik hoe we over ons hele lichaam en in het bijzonder tussen onze benen, de zwembroek had in deze kwestie de zaak alleen maar erger gemaakt, rode bulten hadden door de kwallen die met de storm richting land waren gedreven. Het dagboek dat ik bijhield was als een sluier over mijn ervaringen, waardoor het gevaar van de zee mij ontging, maar ik me de jeuk van de rode bulten nu nog levendig herinner.

Het is een merkwaardig toeval dat amper een week later, nadat we de boot “Genoegen” zagen kapseizen in de zee, we ons afvroegen of Sandriens ouders nog leefden, maar daarover zal ik nu niet schrijven.

Ik dwaal wellicht af, maar laat me dwalen, want dwalen is mijn manier van de weg vinden.

Dit jaar keerden we terug naar Noorwegen. De eerste week waren we in de Fjorden en hield ik me voornamelijk bezig met het vangen van vissen. Dagenlang stond ik op een steiger en uur na uur wierp ik de hengel opnieuw uit. Een vreemd gevoel maakte zich van me meester wanneer ik opeens een vis aan de lijn voelde trekken en in het bijzonder wanneer de kracht zo groot was, dat de nog onbekende vis in mijn gedachten een gigantische gestalte aannam. De eerste keren liet ik de vis ontsnappen, maar ik was al verslaafd. Toen ik eenmaal een vis op het droge had, moest ik hem doden door eerst de onderkant van de kop los te maken van het lijf en in dezelfde beweging de kop van de vis te trekken. Het rode bloed spoot met grote kracht uit de vis, en omdat ik er niet op bedacht was, spoot het over mij heen. Na de vis van organen te hebben ontdaan, legde ik hem in een emmer water en merkwaardig genoeg begon hij, na vijf minuten zonder kop en organen daar te hebben gelegen, plotseling te zwemmen.

Hoewel mijn beestachtigheid wel bevredigd werd door deze beoefening van wreedheid, was het de tweede week in Noorwegen die het varken in mij echt tot rust bracht, al besefte ik dat pas veel later. In de tweede week trokken we naar een gebied waar geen mensen en geen dieren leefden, om daar enkel te leven op wat we hadden meegebracht. Sint Antonius had weliswaar niet de beschikking over droog voedsel dat met een beetje kokend water in een volledige maaltijd veranderde, maar toch is het wellicht het dichtst dat ik ooit bij zijn verblijf in de woestijn zal komen. Sandrien genoot van de woeste natuur, maar ik kon haar gevoel niet delen. Ik voelde enkel een grote angst. En tijdens die week besefte ik al waarom ik zo bang was. Ik had geen schetsboek mee en hield ook geen dagboek bij. Alles wat ik meemaakte, drong direct door in al zijn ruwe werkelijkheid en het maakte me doodsbang. Als ik over de sneeuw glibberde langs een diep ravijn, dacht ik niet aan het verhaal dat ik erover zou kunnen schrijven, maar alleen aan de pijn die ik zou voelen wanneer ik beneden lag.

Nu was het in Bretagne, dat die angst plotseling terugkwam. Ik was afgelopen weekend in Bretagne met Sandrien. We waren op een klein schiereiland. Het was erg warm. We hadden twee liter water mee, maar dat was na een paar uurtjes op, waardoor we bij iemand moesten aanbellen om onze flessen bij te vullen. Had Sint Antonius geen dorst in de woestijn? We besloten de nacht door te brengen op een strand. Sandrien wilde eigenlijk in een grot slapen, maar ik zag dat niet zitten. Het strand nu, was klein, met aan alle zijden, behalve waar de zee was, hoge rotswanden. Met eb waren we erheen gelopen en het pad was verdwenen in de opkomende zee. Het was al donker toen de zee steeds dichter naar ons toe kroop en we ons afvroegen hoe hoog die eigenlijk zou komen en op dat moment voelde ik weer dezelfde angst. Achteraf bekeken was de angst waarschijnlijk belachelijk en was het veel gevaarlijker, dat we midden in de nacht een rotswand hebben beklommen, maar over redelijkheid, dat mag inmiddels duidelijk zijn, voel ik niet de behoefte om te schrijven.

En al die inleiding had ik nodig, om een ontmoeting te beschrijven, die ik had met een beeld.

“Au Grand Antoine”, staat geschreven boven de vriendelijk ogende grijsaard. Hij draagt een zware monnikspij en sandalen. Het varken kijkt van beneden lachend omhoog naar zijn beschermheilige. Het is 14 augustus. Ik sta tussen de honderden duiven en de zwervers, die zich om onbekende reden verzamelen onder de Porte st. Denis in een geur van urine en ik staar in complete vervoering omhoog naar de Grote Antonius. En ik realiseer me plotseling dat mijn varken naast me staat, zoals het varken van sint Antonius, als een vriend. En dat de oplossing zo eenvoudig is, namelijk het ontzag voor de natuur. Soms moet het leven in al zijn volheid worden ervaren, zonder spiegel ertussen. De angst, die ik daarbij voelde, heeft het varken gevoed en angst is veel voedzamer dan schamele gedachten. Ik voel een verlangen om te scheppen in mij opkomen.

dinsdag 16 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees

“31”, verzucht Sandrien, “de dood nadert.” Overvallen door duizeligheid, leunt ze op de bank. De zonnestralen hebben zich in haar hoofd genesteld en ook al zijn we weer in onze koele kamer op de vierde verdieping aan de Bonne Nouvelle, toch tillen ze haar nog af en toe op, om haar vervolgens te laten vallen. Dit is het moment dat ik schrijf: we zijn het weekend in Bretagne geweest. Het is 15 augustus, een lome maandag, omdat het een nationale feestdag is in Frankrijk. 13 Augustus was Sandrien jarig. Buiten is het 30 graden, dat weet ik omdat ik daar net heb rondgedwaald. Ik zit aan de keukentafel. Door het open raam komen etensgeuren die mij duizelig maken. Toch ben ik nog vol van de gedachten die me buiten overvielen. Misschien ben ik Parijs met andere ogen gaan zien, omdat ik een paar dagen ben weggeweest. Of misschien is Parijs veranderd. Wat vaststaat is dat alles anders is.

Ik ben net als Sandrien verbrand op de stranden van Bretagne, maar het is niet de zon die mij te pakken heeft gekregen. Ik moet toegeven dat de pukkel op mijn neus, die, daar ben ik diep van overtuigd, vele jaren geleden ontstaan is doordat mijn neus in de zon verbrand was, weer is gaan opzetten. Sandrien houdt zich af en toe bezig met het uitknijpen van de pukkel, al laat ik haar maar zelden begaan, omdat knijpen in de neus bijzonder pijnlijk is. Ik heb mij al lang neergelegd bij de afbreuk van het gezicht, dat ooit wel potentie heeft gehad, maar het altijd toch meer moest hebben van zelfspot. Het is wel toepasselijk, dat mijn neus steeds roder en groter wordt en langzaam verandert in een clownsneus. Nee, waar ik het over heb gaat dieper dan uiterlijkheden. Het betreft een heilige en een varken.

Het begon er allemaal mee dat, toen we terugliepen van Gare du Nord, na het weekend in Bretagne, mij een beeld opviel, een heilige met een varken, dat op de hoek van mijn favoriete straat, de gevel van een gebouw opsierde. Het was Sint Antonius. In de Rue du Faubourg st. Denis, zou je toch het beeld van sint Denis, haar naamgever, verwachten, die met zijn eigen hoofd in zijn handen door verschillende andere Parijse straten dwaalt, zoals de legende vertelt: nadat hij onthoofd is, op zoek naar de plek waar hij begraven wil worden. Hoe was het mogelijk dat het Sint Antonius was en hoe was het mogelijk dat hij me nooit eerder was opgevallen?

Het is misschien belangrijk om te vertellen dat deze sint Antonius, die de plaats van Denis had ingepikt, mij al jaren fascineert. De eerste keer dat ik hem zag was in een schilderij van Max Ernst, De verzoeking van sint Antonius. In dit schilderij wordt de arme heilige door een prachtige verzameling op Hiëronymus Bosch geïnspireerde monsters aangevallen, die hem van het geloof proberen te brengen. Sindsdien heb ik vele verbeeldingen van hetzelfde onderwerp gezien, van Bosch zelf, Tiepolo, Lorraine, Fantin-Latour, Cezanne, Rops, Dali etc. Sint Antonius wordt aangevallen door duivels of verlokt door mooie vrouwen, waarop hij tot God bidt om hem van deze verzoekingen te verlossen. Het is een geliefd thema onder kunstenaars, de verzoeking van de heilige door de duivel, ten eerste natuurlijk omdat het hen een goede reden geeft om wulpse, naakte vrouwen en groteske duivels te schilderen, maar ook omdat de legende een innerlijke, menselijke strijd verbeeldt. Het is de innerlijke strijd tussen de heilige en het varken, die mij zo fascineert. Zoals ik de verzoeking zie, is Sint Antonius niet zozeer bang voor de duivels, maar eerder voor het verlangen om het beest in hemzelf vrij te laten.

Ik besef heel goed dat ik meer varken in mij heb dan heiligheid en om op mijn neus terug te komen, misschien groeit deze wel uit tot een roze, ronde vleesschijf, waarmee ik naar hartenlust door de modder kan wroeten, wat me niet geheel onplezierig lijkt. Maar ik denk ook dat hoe beestachtiger de mens is, hoe meer hij deze kant van zichzelf zal wegdrukken, om het monster, waartot het uitgroeit, er alleen op enkele momenten nog uit te laten.

Laat ik nog even terugkeren naar het moment waarop ik het beeld van Sint Anthonius zag, op de hoek van de Rue du Faubourg St. Denis. Sandrien en ik waren het weekend naar Bretagne geweest. De terugreis was moeizaam. Het begon met een oververhit toeristentreintje en eindigde in een piepklein autootje, met drie mensen op de achterbank. De chauffeur, een dikke, hyperactieve man, maakte voortdurend grappen waar zijn vriendin, een klein, onaantrekkelijk wezen met een strenge bril op zo'n typisch Frans mager neusje, telkens onbedaarlijk om moest lachen, terwijl hij, ook wanneer de weg volledig recht was, telkens, maar toch op onverwachte momenten, met korte rukjes aan het stuur trok, zodat ik, omdat ik al met mijn lijf tegen de deur zat aangedrukt, telkens met mijn hoofd tegen de deur aan botste. Ik voelde gassen in mijn darmen opborrelen, het zweet liep van mijn voorhoofd en mijn voeten jeukten van de warmte, waardoor ik deze in de beperkte ruimte op alle mogelijke manieren probeerde te strekken. De man aan wie ik inmiddels een gloeiende hekel had gekregen reed op het Place Charles de Gaulle bijna op een bus in, maar was wel zo vriendelijk ons af te zetten bij Gare du Nord, vanwaar we over de Rue du Faubourg St. Denis naar huis liepen.

Er hing de gebruikelijke, drukke, gezellige sfeer in de straat en, hoewel ik grote stappen maakte om mijn benen ten volle te streken na hun urenlange, benarde positie, genoot ik ervan. Ik geloof dat ik tegen Sandrien zei: “We komen al gevaarlijk dicht bij huis”, zonder te begrijpen waarom ik zoiets zou zeggen. Ik geloof dat ze antwoordde: “Wat bedoel je?” Aan het eind van de straat zagen we al de Porte St. Denis, de triomfboog die opgericht is om de overwinning op de Nederlanders te vieren, een gebeurtenis waar wij Nederlanders aan refereren met 'Het rampjaar'. We liepen al bijna langs de poort, toen ik plotseling op de hoek van de straat het beeld zag van Sint Antonius met zijn metgezel het varken.

Waarom Antonius een varken bij zich heeft, heb ik me vaker afgevraagd, maar ik heb nooit de moeite genomen het uit te zoeken. Wel weet ik dat hij patroonheilige is van de varkens en de slagers. Dit lijkt een vreemde combinatie. In de rue du Faubourg St. Denis, waar zijn beeld zich bevindt, bevinden zich opvallend veel slagers, meer dan waar ook in Parijs. Het grappige toeval, ik noem het toeval, maar accepteer het onmiddellijk als verklaring voor de merkwaardige combinatie van patronages, is dat deze slagers halal zijn, en geen van allen varkensvlees aanbieden. Waarom schrijf ik deze irrelevante gedachte op?

Ik merk dat ik aarzel. Nu het komt op mijn innerlijke strijd, mijn verwantschap met het varken, en de essentie van de grote verandering die is opgetreden, moet ik toegeven dat ik terugdeins. Ik ben zonder meer bereid om te schrijven over ontmoetingen met beelden en de wanstaltigheid van mijn neus, maar nu dringt mijn pen door tot onder mijn huid. Misschien moet ik even pauzeren, op adem komen, en dit schrijven later vervolgen.

maandag 15 augustus 2016

Le petit chat et les étoiles filantes

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. De Perseïdenregen die elk jaar Sandriens verjaardag aankondigt, zou in Parijs verbleken bij het licht van de stad en dus zijn we onderweg naar Rennes. Ik zit op de achterbank van een zwarte Nissan Qashqai. Baptiste, de chauffeur, praat met Sandrien. “Ik ben vanochtend met de auto naar de wasstraat geweest, want ja, ik wil wel dat hij er een beetje mooi uitziet, als ik mensen meeneem. Kijk nu wat de vogels hebben gedaan.” Hij drukt op een knopje en het glazen dak, besmeurd met vogelpoep, komt tevoorschijn. De auto is desondanks indrukwekkend. Als Baptiste met hoge snelheid door een tolpoortje rijdt, verschijnen camerabeelden van de achterkant van de auto op een scherm, waarop de mogelijke obstakels worden uitgelicht. Baptiste mindert enkel snelheid, als een auto voor hem zich plotseling aan de norm houdt en lijkt stil te staan, of als een alarm in de auto afgaat, wat betekent dat er snelheidscontrole is.

Zijn rijstijl is echter zeer vertrouwenwekkend en terwijl we over de péage zoeven, herhaalt Baptiste rustig wat hij al een paar keer heeft gezegd, zodat we hem goed kunnen volgen. Hij is radiocommentator bij NRJ (énergie). “Vergelijkbaar met radio 538”, zegt Baptiste, waarbij hij 538 in perfect Nederlands uitspreekt. Hij vraagt wat wij doen en zoekt ondertussen op zijn mp3-speler naar een uitzending van radio 538. Niet veel later zijn we in Rennes. “Als je wilt camperen, moet je niet hier blijven.”, zegt Baptiste. “Vannes is veel mooier.”

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. In mijn schetsboek heb ik in grote letters “VANNES” geschreven. We staan langs een rotonde, waarvan we hopen dat een van de wegen naar Vannes leidt. Als we het ergste beginnen te vermoeden, stopt een klein autootje voor ons en een jonge jongen roept ons. “Niemand hier gaat naar Vannes”, zegt hij. “Maar als jullie willen, kan ik jullie wel naar Molac brengen.” We hebben geen idee waar Molac ligt, maar stappen in de auto. Corentin (noem me maar Coco) stelt niet veel later voor dat we naar zijn huis gaan. “Ik heb een grote tuin, dus daar kunnen jullie ook de tent opzetten, als jullie dat willen.”

De tuin is inderdaad heel groot. Er staat een zwembad (waar we in mogen zwemmen als we dat willen) en achter een schuurtje ligt nog een weiland dat er ook bij blijkt te horen. In de tuin ontmoeten we Sacha, Grisi en twee katten waarvan we de namen nooit te weten komen. Sacha is een oude hond, die eerst heel bang voor ons is, maar al snel over ons heen wil kwijlen. Grisi is een kleine kitten die de hele dag op vliegen jaagt en aan het eind van de dag naast me op de bank in slaap valt. Hoewel de kat langharig is, de poes zwartwit, en Grisi zwartwit en langharig, vertelt Corentin dat het niet een kitten van de twee katten is.

Corentin geeft ons twee biertjes en verdwijnt in de keuken, zoals later blijkt om voor ons te koken. Wij voelen ons licht ongemakkelijk bij zoveel gastvrijheid en we besluiten maar om in de tuin te gaan zitten en af te wachten wat er gaat gebeuren. Als de zus van Corentin thuiskomt, verwachten we ook even dat we weggestuurd zullen worden, maar zij blijkt even hartelijk als haar jongere broertje. “Hij is niet zo'n goede kok.”, zegt ze tegen ons, als we onze borden opscheppen.

Na het eten gaan we wandelen. Corentin legt ons uit hoe we op een mooi pad kunnen komen, Sacha rent nog een stukje met ons mee, en dan lopen we opeens in de bossen van Bretagne. Het pad lijkt wel oneindig en als het al begint te schemeren, slaan we een ander pad in. Op een gegeven moment cirkelen de vleermuizen om ons heen en stel ik voor om maar weer terug te gaan. Ik heb het idee dat als ik het niet had voorgesteld, Sandrien voor altijd door was gelopen, bedwelmd door de geur van bomen en gras. We lopen onder dezelfde brug door waar we even tevoren onderdoor waren gekomen. Ik had niet gezien dat het een brug was en nu vraag ik me hardop af of er een auto overheen zou kunnen. “Nee, niet over deze brug.”, zegt Sandrien, net als er een auto aan komt, die over de brug rijdt. De auto stopt echter boven op de brug en dan horen we een stem: “Sandrien, c'est vous? Vous êtes perdu?”

Als we weer bij het huis komen, zit Corentin met een vriend, Julien, naar de Olympische Spelen te kijken. “Kom, willen jullie een glaasje wijn?” We gaan zitten op de bank en Grisi, de kleine kitten springt op mijn schoot. Corentin vertelt dat hij bij een plantenkwekerij werkt. “Mijn baas drinkt 's ochtends voor acht uur twee flessen whisky en dan zien de klanten hem op de grond slapen.” Hij laat een foto zien van zijn baas die op de grond ligt te slapen. “Wacht, willen jullie een Bretonse specialiteit?” Hij haalt een fles drank uit de keuken en schenkt vier eierdoppen vol. “Zelf gedistilleerd van cider. We noemen dit Le Goût.” Het is erg lekker. Alleen Julien weigert zijn eierdopje op te drinken. Als ik me even later afvraag of deze is overgebleven, zie ik dat het houten eierdopje is gebarsten en de drank is verdwenen. “Het is zulk sterk spul!”, lacht Corentin.

We zijn naar Bretagne gegaan om de sterren te zien en die nacht zien we ze, de vallende sterren. Als de maan rond een uur ondergaat, is de hemel opeens gevuld met sterren. De Melkweg is duidelijk zichtbaar en vormt een grote diagonaal. En om de zoveel tijd schiet er plotseling een lichtflits door de hemel die soms zelfs even een spoor achterlaat. Sandrien ziet meer vallende sterren dan ik, maar dat is ongetwijfeld het cadeau van het heelal voor haar verjaardag.

De volgende dag worden we, nadat we iedereen twee keer hebben gezoend en we afscheid hebben genomen van le petit chat en de oude hond, door Corentin naar Auray gebracht, vanwaar we met een kleine trein naar Quiberon kunnen, want “Vannes is wel mooi, maar Quiberon is nog mooier.”