zaterdag 4 januari 2014

Wat is kunst?

Na mijn avontuur in New York, kreeg ik uiteraard de vraag of ik er nu ook daadwerkelijk wat heb opgestoken... Ik doe een serieuze poging om die vraag te beantwoorden, maar ik kom niet dichtbij een bevredigend antwoord. Ja, ik heb veel geleerd! Maar wat dan precies? En hoe zie je dat dan in de schilderijen terug? En waarvan heb je dat geleerd?
Met enige moeite kan ik ook op deze vragen wel een antwoord bedenken. Toch denk ik dat er achter deze vragen andere vragen schuilgaan, die ik onbeantwoord laat. Vragen als 'Wat is kunst?' en iets specifieker 'Hoe kun je kunst leren, als smaak subjectief is?' Van die vragen die je diep onder de lakens van je bed doen kruipen.

Na de twee kerstdagen vol ledigheid en gulzigheid, is het echter tijd voor wat geestelijke inspanning. Bovendien heb ik van mijn opa en oma het essay Wat is kunst? van Lev Tolstoj gekregen, dus ik hoef niet in het luchtledige te denken.
Terwijl Sandrien naast me De avonden aan het lezen is en terwijl er om de zoveel tijd een stoomtrein door de achtertuin rijdt, die een grote stoomwolk achterlaat, zit ik over grote filosofische vragen te peinzen. Ik zeg tegen Sandrien: "Arnon Grunberg schrijft dat 'Tolstojs boutades af en toe doen denken aan Gerard Reve, die ook graag het volk verheerlijkte en de valsheid van de elite verachtte.'" Sandrien mompelt iets en leest door.

Tolstojs essay doet me sterk denken aan de film La grande bellezza (The great beauty) die we laatst op aanraden van Michiel, die hem nog niet gezien heeft, hebben gekeken. De hoofdgedachte van het essay lijkt ook de boodschap van de film: Kunst gaat niet om de zoektocht naar schoonheid.
Volgens Tolstoj verstaan we onder schoonheid ofwel een onbereikbaar ideaal, dat wordt gelijkgesteld aan een abstract idee (god, de wil, de harmonie der sferen etc.), ofwel niet meer dan genot. De hoofdpersoon Jep Gambardella van La grande Bellezza lijkt met de tweede gedachte te sympathiseren: zijn leven bestaat uit feestjes en mooie vrouwen. Gedurende de film komen we er echter achter dat hij een teleurgestelde kunstenaar is, die ooit een boek heeft geschreven, maar die de rest van zijn leven op zoek is geweest naar "de grote schoonheid", maar deze nooit heeft gevonden.

Lev en Jep maken beiden deel uit van de culturele elite. Tegelijk bekritiseren ze deze elite. Tolstoj beschrijft de aristocratie als een groep lege mensen, met lege gevoelens. Ze kennen slechts drie gevoelens: hoogmoed, geslachtsdrift en algehele lusteloosheid. Ondertussen leven ze in de illusie dat hun leven interessanter is dan dat van het gewone volk.
Als we Gambardella volgen terwijl hij van het ene feest naar het andere gaat, krijgen we wel het idee dat het leven van de culturele elite van Rome erg leeg is.
Hij zit met een aantal vrienden in een kring en een vriendin zit op te scheppen over hoe succesvol ze is en over hoeveel ze aan de wereld heeft bijgedragen. Gambardella zegt: "Ik wil dit niet doen, maar je vraagt er nu om." Hij laat in een lange monoloog geen spaan heel van de arme vrouw en hij laat zien hoe haar hele leven, als kunstenaar, als echtgenote, als moeder, een grote leugen is. "We zijn allemaal mislukt, dus laten we elkaars tijd niet verspillen met opscheppen over onze bijdrage aan de maatschappij, maar laten we liever elkaar het leven wat aangenamer proberen te maken." Zo eindigt hij.

Tolstoj bekritiseert ook de kunst van de elite, vanaf de Renaissance. Miljoenen mensen verrichten zware arbeid om kunst te produceren, waar zij vervolgens niet van kunnen genieten, omdat zij slechts voor een heel klein groepje mensen bedoeld is. Gewone mensen kunnen hier niet van genieten, omdat de kunst totaal onbegrijpelijk is. De kunst is onbegrijpelijk, omdat het een machtsmiddel is van de elite en omdat het een product is van een oppervlakkig gevoelsleven, waardoor de kunst zichzelf is gaan kopiëren en dit probeert te verhullen met techniek.
Gambardella is zoals gezegd een teleurgestelde kunstenaar en zoals het stereotype teleurgestelde kunstenaar, heeft hij een baan als kunstcriticus. Hij bezoekt verschillende performances.
Het eerste kunstwerk bestaat uit een naakte vrouw met een hoofddoek en met rood geverfd schaamhaar met daarin de hamer en sikkel geschoren, die keihard naar een muur rent en daar met haar hoofd tegenaan knalt. Gambardella interviewt na de tentoonstelling de kunstenares. "Waar komen je ideeën voor dit kunstwerk vandaan?" Vraagt hij. Al snel heeft hij door dat ze hier geen antwoord op heeft.
Het tweede kunstwerk wordt gemaakt door een kind van tien. Ze wordt gedwongen om te schilderen, ook al wil ze zelf liever spelen. Als ze huilend aan het werk is, zegt de volkse dame die Gambardella heeft opgepikt in een striptent: "Dat kind is aan het huilen. Wat is dit voor iets verschrikkelijks." Gambardella kijkt haar in eerste instantie verbaasd aan, maar dan lopen ze weg.
Op het laatste kunstwerk uit de film, kom ik later terug.

Goede kunst slaagt er volgens Tolstoj in om te ontroeren. "Voor wie werkelijk geraakt word door een kunstwerk, is het alsof hij zelf de schepper ervan is: het komt hem voor dat hij alles wat erin wordt uitgedrukt zelf al heel lang precies net zo had willen uitdrukken." De ontroering heeft drie voorwaarden: de vertolkte emotie moet specifiek zijn, de inhoud van de emotie moet zo duidelijk mogelijk worden weergegeven en de kunstenaar moet oprecht zijn. Hiermee onderscheidt kunst zich van kitsch. De boer zou volgens Tolstoj precies aanvoelen wanneer iets goede kunst is en hiermee overschat hij volgens mij de gewone mens, maar dat terzijde.
Gambardella ontmoet bijna aan het einde van de film een kunstenaar die hem vraagt naar diens kunstwerk te kijken. Het kunstwerk bestaat uit duizenden en duizenden fotootjes van de kunstenaar, die elke dag sinds zijn vroege jeugd een foto van zichzelf heeft gemaakt. Gambardella laat zijn oog over de fotootjes glijden en dan verschijnt in zijn ooghoek een traan. Na deze ervaring, besluit hij weer een boek te gaan schrijven.

Ik hoor plotseling Sandrien heel hard lachen. Ze hapt naar adem, terwijl ze dubbel slaat. Ik vraag haar wat er aan de hand is. "Frits, hij bidt voor zijn ouders." Ze is niet meer te houden.
Ik zit ondertussen na te denken over wat al deze gedachten nu eigenlijk voor betekenis hebben voor de vragen waarmee ik dit blog begon. Eigenlijk is een andere theorie van Tolstoj, die ik nog niet heb besproken, hiervoor meer verhelderend. De theorie wordt vertaald als de "ietsiepietsie-theorie". Ik vind het een mooie naam, maar vrees dat deze door de vertaler is bedacht, die het nodig vond, zo hoorde ik van mijn vader, om de grote Tolstoj hier en daar wat leesbaarder te maken.
De ietsiepietsie-theorie houdt in dat de kwaliteit van een goed kunstwerk zich zit in net dat beetje ietsiepietsie meer. Een goed kunstwerk kan honderd keer nageaapt worden, maar bij alle na-aapkunst zal net dat ietsiepietsie ontbreken.
Als ik mijn schilderijen na New York en voor New York met elkaar vergelijk dan zie ik grote verschillen in contrast, kleurgebruik. Ik denk dat mijn technische mogelijkheden vooruit zijn gegaan, maar of dat direct leidt tot betere schilderijen is nog maar de vraag.
Uiteindelijk zit de kwaliteit net in dat ietsiepietsie meer, dat in elk geval een van mijn New York-schilderijen lijkt te hebben.

Het is een vaag begrip, maar kunst is nu eenmaal geen wetenschap. Je kunt een film uitentreure analyseren, maar dat maakt de film nog niet tot een goede film. Ik ben er dan ook nog niet uit of La grande bellezza nou een goede film is, maar ik raad het wel iedereen aan om hem te kijken. En we mogen dan leven in een postmodern tijdperk waarin anything goes, maar deze film geeft volgens mij wel aan, waarom het ook relevant is om Tolstoj te lezen.